De natuur heeft mooie kanten.
Helaas soms ook donkere.
Op 9 augustus plaatste ik een foto van een mus in onze kersenboom.
Geduldig wachten was de titel.
Dit verhaal gaat over diezelfde mus.
Het speelde zich af op een bewolkte zondagmiddag, 17 augustus.
Ik zat in de achtertuin, luisterend naar binaural beats en verdiept in Landlijnen van Raynor Winn, een prachtig boek.
Plotseling zag ik vanuit mijn ooghoek iets van het garagedak vallen en met vaart onder de laurierstruik schieten.
Direct gevolgd door een hoop gepiep en gekwetter.
Het bleek een jong musje, net uit het nest.
Vliegen kon het nog niet.
Al snel sprong het van tak naar tak, hoger de struik in, luid roepend om aandacht.
Moedermus vond het snel en kwetterde boos, alsof ze wilde zeggen:
“Kijk nu toch wat je hebt gedaan, je was er nog niet klaar voor!”
Ik zocht op wat te doen.
Het advies: niets, als het musje veren heeft en zijn moeder in de buurt is.
En zo vloog moedermus heen en weer, heen naar het nest onder de dakpan, dan weer naar de laurier, onophoudelijk voerend.
Maar het gepiep trok ook een ander aan.
De grijze buurpoes liep nieuwsgierig over het schuurtje, ogen strak gericht op de laurier.
Moedermus fladderde zenuwachtig heen en weer.
De poes verdween… althans dat dacht ik.
Opeens hield het gepiep op.
Een korte stilte.
Toen een felle uitbarsting van moedermus.
Met afschuw zag ik de poes met het musje in zijn bek over de schutting verdwijnen.
Ik weet, dit is de natuur.
Maar het zo van dichtbij meemaken raakte me diep.
Nog vaak keerde moedermus terug naar de struik, tevergeefs zoekend.
Een dag later was ze alweer druk bezig de andere jongen te voeden.
Vergeten, of slechts aanvaard?
Onderstaand de link naar de foto van de moedermus.
